ADVERTENTIE

Schrijf jouw beste column en wie weet staat deze binnenkort in Metro

Jury stemmen
  • ALS BOMMELTJE NAAR BUITEN WIL

    De kat zit vaak voor de glazen schuifdeur naar de tuin in de hoop dat iemand hem naar buiten laat. Als ik er ben, doe ik graag de deur open en roep: ‘Ah, Bommeltje, wil je naar buiten?’ Mijn dochter en kleinkinderen roepen in koor dat de poes niet Bommeltje heet: ‘Hij heet Molletje!’ Molletje zelf heeft vrede met mijn naamkeus zolang de deur zich maar opent en hij zijn vogeltjesvangstinstinct kan gaan uitleven. Maar in het strak-logische huishouden van mijn dochter heerst het wiskundedenken van haar studie en werk: als een kat Molletje heet, dan noem je hem Molletje.
    Ik zie die logica eerder als een uitdaging dan als een houvast. Dit moet ik overhoop halen! Hoe kan ik de zaakjes lostrekken? Hoe krijg ik een paar leuke slingers in die kaarsrechte lijnen? Hoe plak ik een stel tierelantijnen op de vierkante kubussen? Bovendien vind ik Molletje een vreselijke naam. Ik kan het niet uit mijn mond krijgen. Bah. Geef mij maar Borreltje of Knokkeltje. Dus als de kat weer naar binnen wil, hij wil wel tien keer per dag in en uit, grijp ik een nieuwe kans. Ik schuif de deur open en roep ik zo hard ik kan: ‘Ha, Frommeltje, ben je daar weer? Oh, nee, ik vergis mij. Het is Moppeltje. Dat ik die naam kon vergeten!’
    Nou is mijn dochter geduldig van aard, dus laat zij mij rustig even aanrommelen met mijn spelletjes. Maar tenslotte grijpt zij in en zegt kalm: ‘Het is Molletje.’ Het is niet te vermijden. Mijn kleinzoon is niet geduldig en al helemaal niet gediend van grapjes. Een grap is prima, als wij maar eerst hebben vastgesteld dat het om een grap gaat. Maar mijn kleindochter van zes is taalverliefd en houdt wel van woordspelletjes. Zo noemt nu regendruppels zelfs luchtdruppels als het alleen maar een beetje miezert. Ik heb een bondgenoot gemaakt.
    Alleen, het weekt haar los van de vertrouwde logica in huis en zij houdt minstens zoveel van de kat als van taalkronkels. Dus begint zij dubbel te twijfelen als ik weer naar de deur loop om voor Doppertje de deur open te doen en geestdriftig roep: ‘Zo, Dolletje, zal ik je naar buiten laten?’ Zij weet nog steeds niet of zij mij wil corrigeren met ‘Molletje’ of nog een nieuwe naam voor de kat erbij zal verzinnen.