ADVERTENTIE

Schrijf jouw beste column en wie weet staat deze binnenkort in Metro

Jury stemmen
  • Dooi

    De Amsterdamse buurt De Baarsjes is in een paar jaar tijd enorm veranderd. Toen ik er kwam wonen was het echt een volksbuurt. De café’s hadden rode tapijtjes op de tafels, er stond continu een sportzender aan en als je langsliep kwam er een luid gebral naar buiten. Verder waren er ‘restaurants’ (shoarmatenten), nagelstudio’s en plekken waar je voordelig naar Turkije kon bellen. Nu, negen jaar later, zit ik op het buurtplein aan een ‘latte’, met glazen muntthee en Mac Books om me heen.

    Had ik tijdens het studeren ook maar zo’n goede hangplek gehad. In mijn pogingen tot integratie ging ik wel eens naar het buurtcafeetje in mijn straat. Ik, universitair student, kwam binnen, bestelde een koffie. “Is je koffie thuis op?” Het was de plagerige manier waarop deze Amsterdammers wilden aangeven hoe groot onze verschillen waren. De eigenaresse overleed onlangs aan longkanker. Met haar sigaret nog in haar hand, denk ik. Haar man probeert sindsdien de boel draaiende te
    houden. Een merkwaardige figuur die -nog merkwaardiger- als begroeting altijd ‘doei’ zegt in plaats van hallo of dag. Met zijn lage basstem en Amsterdamse accent klinkt dat een beetje zo: “Dooi.”

    Ik voel me wat meer thuis in mijn buurt nu het allemaal wat hipper is, maar ik merk ook hoe ik zelf wat ‘Amsterdamser’ ben geworden dan de studenten om me heen. Ik luister hoe naast me een meisje een relaas houdt over haar scriptie die maar niet af komt. Ze vertelt dat er sprake moet zijn van een vermoeidheidsvirus dat slecht te detecteren is. Pfeiffer was het niet, dat had ze al gehad. Ik kan een kleine glimlach bij mezelf niet onderdrukken. Het zal in ieder geval niets te maken hebben met haar iPhone, waarmee ze elke tien minuten het hier-en-nu aan een jury van digitale vrienden voorlegt.

    Ik loop terug naar mijn straat. Nu ik langs het buurtcafé loop, dat heldhaftig stand houdt onder invloed van buurtverhipping, zie ik pas de verschillen tussen de werelden. Ik kijk naar de man die net zijn vrouw verloren heeft. Zijn doodmoeie lijf laat hij elke dag tegen 3 uur ’s middags in een terrasstoel van kunststof nepriet zakken. Hij drinkt zijn bier onder vergeelde EK-vlaggetjes. Misschien wil hij met zijn speciale begroeting duidelijk maken dat elk gesprek meteen dient te worden afgesloten. Geen zin in medelijden. Hij knikt, we kennen elkaar een beetje. “Dooi.”